Het einde van het CDA


Had het CDA maar beter naar Léon Frissen geluisterd. De toenmalige Limburgse gouverneur constateerde in 2010 dat de partij zich had losgezongen van haar achterban, achterland en geschiedenis. ‘Het is een elitepartij geworden’, aldus Frissen. Voor de PvdA, de andere partij in verval, gold in zijn ogen hetzelfde. Beide partijen hebben niet geluisterd en zijn nu op sterven na dood.

Voor Frissen was de oorzaak duidelijk: PvdA en CDA lieten zich in de jaren na de val van het communisme in 1989 meeslepen door de VVD en het geloof van de liberalen in het kapitalisme. Daarmee verloochenden ze hun geschiedenis als voorvechters van een politiek-sociale ordening die het publieke belang boven het belang van aandeelhouders stelt. De desolate toestand waarin CDA en PvdA verkeren slaat niet louter op henzelf terug, maar raakt het bestel van onze parlementaire democratie in het hart. De wezenloze formatie is een symptoom van deze crisis.

Ordinaire scheldpartijen

Het is een formatie zonder politieke energie en zonder richting. VVD en CDA klampen zich aan elkaar vast op de rechterflank, PvdA en GroenLinks doen dat op de linkerflank. D66, de enige partij die een energieke campagne voerde, is te klein om de impasse te doorbreken en iets van het beloofde ‘nieuwe leiderschap’ te laten zien. Als Kaag niet oppast, verdwijnt zij met haar belofte in een van de zwarte gaten in het Haagse universum.

De crisis in het bestel is acuut geworden nu het CDA-Kamerlid Omtzigt afgelopen vrijdag een beerput onder zijn eigen partij openlegde: kuiperijen, gebroken beloftes, machinaties en ordinaire scheldpartijen. Ik veronderstel dat de restanten van het krediet waarop het CDA als langdurige drager van de staat nog kon rekenen, tegen de smerige walmen niet bestand zullen zijn. Het CDA heeft langer standgehouden dan bij zijn oprichting in 1980 voorspeld, maar nu lijkt het einde onafwendbaar. Deelname aan een nieuw kabinet is zo goed als uitgesloten.

De historicus Van Deursen zei in 2010 dat het CDA de enige echte middenpartij in ons land is. Zijn simpele verklaring: de christen-democraten zijn, anders dan de rest, bereid met elke andere partij samen te werken. Dat klonk destijds plausibel. Het CDA ging onder aanvoering van Verhagen zelfs in zee met een politicus die de godsdienstvrijheid en de rechtsstaat om zeep wil helpen. Meer dan een bewijs van een beweeglijke romp, vond ik die keuze een extreme bevestiging van de oude Nolens-reflex uit 1918: alleen in uiterste noodzaak met links.

Daaraan kun je de laatste jaren toevoegen: en nooit met GroenLinks. Ik ken christen-democraten die al uitslag krijgen bij de gedachte en die nog liever samenwerken met de SP, die nog ruikt naar het Brabantse land waar vroeger de KVP domineerde. De christen-democraten hebben altijd gemakkelijker gebogen naar rechts, met uitzondering van de wederopbouwperiode na de oorlog toen de rooms-rode samenwerking ruim tien jaar standhield. Het machtsmotief speelde nadien altijd een voorname rol. Met links regeren was electoraal nimmer lonend, met rechts kon dat tot 2010 altijd vanuit een dominante positie.

Prooi voor populisten en identiteitsclubjes

Frissen stelde het CDA in dat cruciale jaar voor de keuze: of het zou weer een sociale, Europees georiënteerde volkspartij worden of als elitepartij ten onder gaan. Maar het was als altijd hetzelfde liedje, dat zo gaat: links flaneren, rechts regeren, links evalueren, rechts doormarcheren. Tot op de dag van vandaag is de CDU in Duitsland een voorbeeld van leiderschap dat zijn rug recht houdt, maar de Haagse top van het CDA heeft zich daar nimmer aan gespiegeld. Het maakte zich na 2010 liever tot tolk van de boze burger en staart nu in het graf dat zijn rivalen al decennia terug hebben gegraven.

CDA en PvdA hebben de afgelopen decennia onvoldoende onderkend dat het populisme kon opkomen door vrij baan te geven aan een kapitalisme dat de overheid als probleem zag, niet als oplossing. Die tendens heeft tot een verwaarlozing van het ‘bonum commune’ geleid, het algemeen belang van een samenleving, verschraling van de overheidsdiensten en een groeiende vermogensongelijkheid onder burgers.

In politieke zin ontstond een vruchtbare voedingsbodem voor populisten, die de echte problemen met succes reduceerden tot identiteitskwesties. De traditionele partijen spraken dat niet luid en duidelijk tegen, maar gingen in de flauwekul mee. Het loon van de angst: CDA 15 zetels, PvdA 9 ­zetels. Ter vergelijking: bij de laatste verkiezingen voor de val van de Muur haalden ze samen 106 zetels.

De volkspartijen zijn door hun weekheid een prooi geworden voor populisten, identiteitsclubjes en, zoals Omtzigt suggereert, anonieme sponsors die in het CDA zouden hebben gepoogd invloed te kopen. Komt het nog goed? Benarde situaties kunnen moedig leiderschap oproepen.

Steun Indignatie via PayPal veilig en simpel.




Geef een antwoord